(1 Cor. 6: 19; 2 Cor. 6: 16; 1 Petr. 2: 5; Openb. 21: 3)
1. God wil bij de mensen wonen.
In de Bijbel zien we vijf fasen waarin God kenbaar maakt bij de mensen te willen zijn of te wonen. In elke fase komt God dichterbij in zijn openbaring aan de mens.
Fase 1 God nadert tot de mens, onzichtbaar, wel hoorbaar. God spreekt met de mens in de hof van Eden (Adam).
Fase 2 De mens mag tot God naderen, God blijft onzichtbaar maar wel hoorbaar. God wil wonen bij de mensen in de tabernakel of- tentwoning (Israël).
Fase 3 God wil zich zichtbaar maken voor de mensen in de Heer Jezus Christus. God is hoorbaar, zichtbaar en wandelt in menselijke gedaante op aarde.
Fase 4 God is zichtbaar (in de gemeente), hoorbaar, woont zelfs in ons. God wil echte gemeenschap met de mens.
Fase 5 God is alles in allen. God wil volmaakte gemeenschap met de mens (de eeuwigheid).
Vanaf het begin is het zijn verlangen geweest om omgang met de mens te hebben. Door de zondeval kwam er een "kink in de kabel" en moest Hij zich verwijderen van de mens. Toch geeft Hij telkens aan dat Hij bij de mensen wil zijn als hun God. Het lijkt wel of Hij wil zeggen: “Begrijpen jullie het dan niet dat het niet mijn bedoeling geweest is om in een huis van dierenvellen of van steen te wonen? Ik heb er altijd al naar verlangd om bij jullie te zijn, om er voor jullie te zijn, zoals Ik dat met Adam wilde, dicht bij jullie hart en niet op een afstand.”
Daarom kon Hij zeggen:De HEER laat immers voortdurend zijn ogen over de aarde rondgaan en biedt iedereen hulp die Hem met heel zijn hart is toegedaan (2 Kron. 16: 9).
2. Gods woonplaats in het Oude Testament
De Israëlieten moeten een heiligdom voor mij maken, zodat Ik te midden van hen kan wonen (Ex. 25: 8).
Als Nieuwtestamentische gelovigen mogen we geestelijke betekenissen halen uit de geschiedenissen van het Oude Testament. Zo ook met het heiligdom waar God in wilde wonen. De tentwoning, want dat is de betekenis van tabernakel, bestond uit een raamwerk van planken van acaciahout die met goud overtrokken waren. Het aardse (hout) verbonden met het hemelse (goud).
De planken stonden gefundeerd in zilveren blokken. Deze blokken stonden in het zand. De planken werden bij elkaar gehouden door 4 draagbalken van acaciahout, die ook weer met goud overtrokken waren. Voor de bevestiging van de dwarsbalken aan de planken werden ringen van goud gebruikt. Onzichtbaar was er door de planken heen nog een vijfde balk aan gebracht (Ex. 36: 33 St.vert.). Over het gehele geraamte werden diverse kleden aangebracht die bijna tot op de grond reikten. Van het geraamte was daardoor van buiten af vrijwel niets meer zichtbaar. Er is nog veel meer te zeggen over de tentwoning maar dat valt buiten het kader van het onderwerp van de woonplaats van God.
Betekenis van de diverse materialen
Hout is in de Bijbel een beeld van de mens als dat wat uit de aarde voortkomt. De planken waren van acaciahout gemaakt. Acaciahout is een akelig harde houtsoort die moeilijk te bewerken is en als boom ook een zeer grillige vorm heeft. Uit dat hout werden rechte planken gemaakt. We mogen het zo zien dat God ons met zijn Goddelijke gereedschap heeft bewerkt tot bruikbaar constructiemateriaal voor zijn woonplaats op aarde. Goud heeft de betekenis van de heerlijkheid of gerechtigheid van God. De planken waren daarmee bekleed, d.w.z. al het zichtbare hout verdween omdat het bekleed was met goud. Wij, die de verlossing hebben ontvangen in de Heer Jezus, zijn bekleed geworden met al zijn Goddelijke gerechtigheid. Alles wat Hij volbracht heeft wordt ons toegerekend. Zilver heeft in de Bijbel de betekenis van verzoening door het bloed van Christus. Het is dan ook logisch dat de planken met hun voeten gefundeerd staan in zilveren blokken. Ons is verzoening geschonken voordat wij bekleed konden worden met de heerlijkheid van God. Onderling waren de planken verbonden met een onzichtbare balk. Deze balk symboliseert de Heilige Geest die alle gelovigen tot een eenheid verbindt (1 Cor. 12: 13). De onderlinge stabiliteit voor de planken werd verder gevonden door de 4 aangebrachte dwarsbalken. Je kunt dus spreken over een onderlinge verbondenheid die de stabiliteit verhoogt. In de Bijbel vinden we dat terug in Hand. 2: 42: Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood (avondmaal) en wijdden zich aan het gebed. De balken waren met gouden ringen aan de planken bevestigd. Hierbij kunnen we denken aan de liefde die de band van de volmaaktheid is (Kol. 3: 14). Niet een horizontale liefde maar de Goddelijke liefde die in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest. Het belangrijkste is dat God woning wil maken in de gelovige en dus in de gemeente. De tentwoning is daar een beeld van. God wil wonen bij de mensen.
3. De geestelijke tempel (woonplaats) van God (2 Kor. 6: 16; 1 Tim. 3: 15; 1 Petr. 2: 5; Hand. 7: 48-49; Joh. 14: 23; Ef. 2: 20-22)
In het Nieuwe Testament zien we dat wij de (geestelijke) tempel van God zijn geworden. Dus de plaats waar Hij wil wonen. We mogen er naar kijken als Goddelijke woon- en bouwplaats. Woonplaats omdat God in Zijn tempel intrek heeft genomen. Bouwplaats omdat de tempel van God nooit klaar is en er dagelijks nog levende stenen aan toegevoegd worden. Enerzijds gaat het om de individuele gelovige die God heeft gekozen tot zijn woonplaats en anderzijds gaat het om de universele gemeente die de woonplaats van God is. Het is noodzakelijk om deze twee aspecten te onderscheiden omdat ze telkens door elkaar lopen. Individueel zijn we Gods tempel en alle gelovigen samen vormen ook de tempel van God. Andere benamingen voor tempel zijn: woonplaats, huis, gebouw, woning.
4. Een heilige tempel (1 Cor. 3: 17; Rom. 12: 1; 1 Petr.1: 15,16)
Heiligheid in de praktijk van het geloofsleven is voor velen een moeilijkheid om daarin te volharden. Als we spreken over een heilige tempel die we zijn mogen, dan gaat het erom dat we ten eerste apart gesteld zijn, dat is afgezonderd zijn tot een doel en dat doel is bestemd te zijn voor God, om afgezonderd voor Hemzelf te leven. Hij heeft ons tevoren gekend en ons doel is om het evenbeeld te worden van zijn Zoon (Rom. 8: 29). Dat leven is in de ogen van God aangenaam, daar vindt Hij zijn vreugde in. Het gaat erom dat we daarin zichtbaar laten worden dat we een woonplaats van God zijn. Ten tweede gaat het erom dat we leven in overeenstemming met het wezen van God en dat is heiligheid. De Heilige Geest die in ons woont wil ons helpen om dat uit te werken.
Dankbaarheid, vanwege de genade die God ons bewezen heeft, moet ons brengen tot het punt dat we bereid zijn om los te komen van onszelf; om ons te stellen tot een levend offer voor God (Rom. 12: 1). Levend wil zeggen: doorlopend een aan God toegewijd leven. Het gaat er duidelijk om dat ons geloof niet op een aantal uiterlijkheden berust die de behoeften van ons verstand en ons hart bevredigen. Het gaat er om dat ons leven beschikbaar is voor God en dat we door de Geest van God gemeenschap met Hem hebben.
Vanuit ons mens-zijn hebben we het daar van tijd tot tijd, best moeilijk mee. Maar Hij die het van ons vraagt, is ook de Helper om het te realiseren. Al die kleine heilige tempeltjes die we individueel mogen zijn, vormen samen de grote tempel, waar we als levende stenen zijn ingevoegd tot een geestelijk huis, tot een woonplaats van God in de Geest.
Streef ernaar in vrede te leven met allen en leid een heilig leven; wie dat niet doet zal de Heer niet zien (Hebr. 12: 14). De Heer zegt als je je daarvoor niet inzet (streven is een actie) zul je Mij niet kunnen zien. Gods heiligheid is een geschenk aan ons omdat Hij in ons woont maar onze verantwoordelijkheid is om die na te jagen, zichtbaar te maken.
5. Een levende tempel
Wij worden als levende stenen ingevoegd. In “levend” zit actie. Actie samen met de Heer onder leiding van de Heilige Geest. Gods tempel bestaat niet uit een dode materie, een star geheel van harde doorbakken stenen. De schoonheid van de tempel van God zit hem in het feit dat het gaat om levende materie. Levens van mensen die Hem toegewijd zijn en daarmee ook toegewijd zijn aan de tempel van de Heer en dat is de gemeente van de levende God (1Tim.3: 15).
De gemeente is een levend organisme (geen organisatie) waarbinnen we, in overeenstemming met de gaven die we ontvangen hebben, mogen dienen. Gaven hebben we immers ontvangen tot opbouw en dienstbaarheid aan de gemeente. Een ander aspect is dat we als levende steden in de tempel van God offers mogen brengen die voor Hem aangenaam zijn.
6. Bouwen aan de tempel
En laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn (1 Petr. 2: 5).
Het woord bouwen wordt in het Nieuwe Testament in twee betekenissen gebruikt. Het gaat om het bouwen van een huis, een tempel, dus het maken van iets. Daarnaast wordt het gebruikt in de zin van opbouwen, van groeien. Wij worden als levende stenen op het fundament (dat is Jezus Christus) gebouwd tot een geestelijk huis. We kunnen zeggen dat het huis in kwaliteit (diepgang) moet groeien, naar meer inzicht over God en een diepere relatie met Hem om onze geestelijke offers aan Hem te brengen. Dat is de vrucht van de lippen die zijn naam belijden (Hebr. 13: 15). Daarnaast is het zo dat we mogen bouwen aan het huis van God, door te vertellen wie Hij is, waardoor ook anderen als levende stenen ingevoegd kunnen worden. Het gaat dus ook om de grootte van het huis. Het is geen huis van ons, wij zijn alleen werktuigen in Gods hand. Daarom staat er ook in Psalm 127: 1: Als de HEER het huis niet bouwt,vergeefs zwoegen de bouwer.
7. Gods tempel en de celgroep
Als we het een en ander op ons in hebben laten werken dan begrijpen we ook dat, wanneer we als celgroep samenkomen, God ook aanwezig is omdat zijn tempel daar is. Hij is verlangend om bij ons te zijn. De Heer Jezus heeft gezegd: Want waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben Ik in hun midden (Matth. 18: 20). In het midden zijn wil zeggen, het middelpunt zijn. Alles draait om Hem. Hij is in zijn tempel. Wat we ook doen op een celgroepavond, Hij moet de Hoofdpersoon zijn. Op die plaats mogen we God ontmoeten. Wil dat zeggen dat we niet over onze zorgen of noden mogen praten? Zeker wel, maar het gaat erom dat Hij ook daarin betrokken wordt. Hij wil in alles gekend worden. Denk aan Hem bij alles wat je doet (Spr. 3: 6). Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden (Hebr. 4: 16).
We hebben gezien, vanuit Hand. 2: 42 dat God vier kenmerken gegeven heeft voor de stabiliteit van de gemeente (zijn tempel) nl.:
Zij bleven trouw aan wat de apostelen hun leerden,
Zij gingen als een grote familie met elkaar om.
Zij kwamen vaak samen voor de maaltijd van de Heer
Zij bleven volharden in het gebed.
In het beeld van de tabernakel zagen we al dat deze vier (de draagbalken die de planken onderling verbonden) de samenbindende factor was voor de stabiliteit van Gods huis. Veronachtzamen we één van deze vier dan doen we afbreuk, in praktische zin, aan de door God noodzakelijk gevonden stabiliteit van zijn woning.

