De boodschap van de brief van Paulus aan de Efeziërs
In tegenstelling tot een aantal andere brieven die Paulus schreef, verwijst deze brief niet naar een bepaalde zonde of ketterij.
Paulus schreef deze brief om het gezichtsveld van zijn lezers te verbreden, zodat ze beter de dimensies van Gods eeuwige plan en genade zouden begrijpen en meer inzicht zouden hebben in de hoge doelen die God met de kerk voorheeft.
De brief begint met een overzicht van verklaringen over Gods zegeningen. Hij doet dit met een grote
(1 Cor. 6: 19; 2 Cor. 6: 16; 1 Petr. 2: 5; Openb. 21: 3)
In de Bijbel zien we vijf fasen waarin God kenbaar maakt bij de mensen te willen zijn of te wonen. In elke fase komt God dichterbij in zijn openbaring aan de mens.
Fase 1 God nadert tot de mens, onzichtbaar, wel hoorbaar. God spreekt met de mens in de hof van Eden (Adam).
Fase 2 De mens mag tot God naderen, God blijft onzichtbaar maar wel hoorbaar. God wil wonen bij de mensen in de tabernakel of- tentwoning (Israël).
Fase 3 God wil zich zichtbaar maken voor de mensen in de Heer Jezus Christus. God is hoorbaar, zichtbaar en wandelt in menselijke gedaante op aarde.
Fase 4 God is zichtbaar (in de gemeente), hoorbaar, woont zelfs in ons. God wil echte gemeenschap met de mens.
Fase 5 God is alles in allen. God wil volmaakte gemeenschap met de mens (de eeuwigheid).
Vanaf het begin is het zijn verlangen geweest om omgang met de mens te hebben. Door de zondeval kwam er een "kink in de kabel" en moest Hij zich verwijderen van de mens. Toch geeft Hij telkens aan dat Hij bij de mensen wil zijn als hun God. Het lijkt wel of Hij wil zeggen: “Begrijpen jullie het dan niet dat het niet mijn bedoeling geweest is om in een huis van dierenvellen of van steen te wonen? Ik heb er altijd al naar verlangd om bij jullie te zijn, om er voor jullie te zijn, zoals Ik dat met Adam wilde, dicht bij jullie hart en niet op een afstand.”
Daarom kon Hij zeggen:De HEER laat immers voortdurend zijn ogen over de aarde rondgaan en biedt iedereen hulp die Hem met heel zijn hart is toegedaan (2 Kron. 16: 9).
Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie. (1 Petr. 2: 9a)
Die een koninkrijk uit ons gevormd heeft en ons heeft gemaakt tot priesters voor God, zijn Vader. (Opb. 1: 6a)
Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, Hem aanbidt in geest en in waarheid. De Vader zoekt mensen die hem zo aanbidden, want God is Geest, dus wie Hem aanbidt, moet dat doen in geest en in waarheid. (Joh.4: 23,24)
Het is altijd al het verlangen van God geweest om een volk te hebben dat Hem toegewijd zou zijn, een volk dat alleen voor Hem was, een heilig volk, een volk als zijn eigendom, een koninkrijk van priesters. Luister maar: Mozes ging de berg op, naar God. De HEER riep hem vanaf de berg toe: ‘Zeg tegen het volk van Jakob: ”als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met Mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor Mij zijn, een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk”. (Ex. 19: 3- 6)
Israël bleef niet in het verbond dat God met hen gesloten had. In hun overmoed zeiden ze tegen God: "alles wat U zegt zullen we doen." Ze hielden zich niet aan die belofte. Hij sloeg daarom geen acht meer op hen (Hebr.8: 9). Maar het verlangen van God naar een volk dat Hem toegewijd zou zijn bleef bestaan. In zijn genade bedacht Hij een nieuw verbond, dat een eeuwig verbond is zonder voorwaarden van Godswege, een verbond dat gebaseerd is op het kostbare bloed van Jezus Christus (Matth. 26: 28; 1 Kor. 11: 25; Hebr. 10: 16).
Hoe je deel kunt krijgen aan dat eeuwige verbond vinden we al in het Oude Testament.
Want door (in de kracht van) één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt........Hij (dat is de Vader) heeft alles aan zijn voeten gelegd en Hem als Hoofd over alles gegeven, aan de gemeente, die Zijn lichaam is, de volheid van Hem die alles in allen vervult (1 Kor.12: 13 - Ef.1: 22,23 Voorhoeve vert.).
Toen de Heer Jezus van de aarde opgenomen werd was er geen Goddelijk lichaam meer op de aarde aanwezig. De Heilige Geest was nog niet uitgestort en er was dus niets dat Goddelijke aanwezigheid op de aarde openbaarde. Toch had de Heer beloofd dat Hij een Plaatsvervanger zou sturen, iemand die Zijn plaats op de aarde in zou nemen. In Gods gedachten lag al van alle eeuwigheid af het plan klaar om na de opname van de Heer toch nog een zichtbaar Lichaam op de aarde te hebben. Een Lichaam waarin God gezien zou worden, waardoor God zou kunnen handelen zoals Hij handelde door het vlees geworden Woord (Jezus Christus). Op de pinksterdag werd het Lichaam (de gemeente) gevormd en “Goddelijk” doordat de Heilige Geest uitgestort werd. Op dat moment had het Lichaam Goddelijke kracht (Hand.1: 8).
Het lichaam waarvan de Heer het Hoofd is en dat door de Heilige Geest geleid wordt, zou je “God - opnieuw geopenbaard in het vlees” kunnen noemen. De bestemming van dat Lichaam is de voortzetting van alles wat Jezus gedaan heeft (en nog grotere werken, heeft Hij gezegd), opdat God door zijn Lichaam gezien zou worden en de mensen zich tot Hem konden bekeren. Voor alle duidelijkheid, dat Lichaam zijn wij, de gemeente die bestaat uit allen die wedergeboren zijn. Het Lichaam staat met een hoofdletter geschreven, omdat God door zijn Geest in dat Lichaam woont.
Allereerst: wat is de gemeente?
Het Griekse woord voor gemeente is Ekklesia en de letterlijke betekenis daarvan is een officieel bijeengeroepen vergadering.
De Bijbelse betekenis is een “vergadering van gelovigen”. De gemeente is universeel, dat wil zeggen dat het niet geografisch beperkt is. Wel zien we dat er in de Bijbel gesproken wordt over de gemeente te…. en dan komt er een plaatsnaam. Alle gelovigen in die stad behoren dan tot die gemeente. Eigenlijk allen die tot belijdenis van de naam van de Heer Jezus samenkomen.
Helaas is het zo dat er zo’n verdeeldheid heerst dat we allemaal verschillende namen hebben aangenomen. Om praktische redenen kun je in een stad op verschillende plaatsen samenkomen, maar de grondslag daarvoor moet gelijk zijn. In Matth.18: 20 zegt de Heer: waar twee of drie tot de belijdenis van mijn naam samenkomen daar wil Ik in het midden zijn. In wezen zou het zo moeten zijn dat er in een plaats een netwerk van kleine gemeenten is, die gemeente willen zijn in de buurt waar ze wonen en dat tot een getuigenis voor de mensen in die buurt. Het principe van Hand. 2: 46 en 47. Samenkomen in de tempel (dus in het groot) en samenkomen in de huiskamer (dus in het klein).
Pagina 1 van 2